Al minstens 11.000 jaar wordt de zomerzonnewende gevierd. Van Stonehenge tot de pyramides, van Fajada Butte in New Mexico tot de Mnajdra in Malta, doorheen de geschiedenis was de langste zonsopkomst een oriëntatiepunt voor veel culturen. Daarbij komen dezelfde thema’s vaak terug. Een groot kampvuur nodigt uit tot uitbundig feesten. Fruit en bloemen vormen de basis voor passionele verleiding van geliefden en onbekenden. Er heerst een sfeer van dankbaarheid, maar ook een drang naar vernieuwing. Het vuur verbrandt oude zorgen en geeft warmte aan overgang. Jongvolwassenen en koppels bewijzen zich door (samen) over het vuur te springen. Later maken de christenen gebruik van de traditie rond midzomernacht om Johannes De Doper te vieren, die zes maanden voor Jezus werd geboren. Ook hij staat voor een nieuw begin en voorbereiding op de toekomst. In de christelijke traditie springt de gelovige door een sintjansvuur om zichzelf te reinigen.
Zing, koekoek!
Zo’n eeuwenoud feest met passionele inslag wist uiteraard al heel wat kunst voort te brengen. Een van de bekendste werken rond de zomerzonnewende werd anoniem geschreven rond 1261 in het Middelengels in Wessex. Onderstaand gedicht is een liedtekst van een ‘rota’. Vier zangers zingen ‘in het rond’ in canon, waarbij de tweede zanger het lied start wanneer de eerste zanger één regel heeft gezongen.
Sumer is icumen in,
Lhude sing cuccu
Groweþ sed, and bloweþ med
and springþ þe wde nu,
Sing cuccu
De zomer is aangekomen,
zing luid, koekoek!
Het zaad groeit en de weide bloeit
En het woud ontspruit in groen,
zing koekoek!