Ga naar de hoofdcontent
Logo Concertgebouw Brugge
Logo Concertgebouw Brugge

Wereldmuziek

Wereldmuziek

Dalilla Hermans - column 

In 2010 had ik een liefje met de meest Turnhoutse voor- en achternaam denkbaar. Achteraf bekeken ben ik dan weer extra blij dat mijn halve trouwboek uiteindelijk een Bruggeling met de ronkende West-Vlaamse achternaam ‘Blontrock’ is geworden. Heel lokaal, maar met internationale schwung, erg toepasselijk vind ik dat. Ik heb onze kinderen dan ook de dubbele achternaam met koppelteken ertussen bespaard. 

Maar dus terug over dat ex-lief. Hoe oer-Kempisch zijn voor- en achternaam ook klonken, hij was grote fan van wat wij ‘wereldmuziek’ noemen. Ik vond dat een vreemde term. Eigenlijk is het de verzamelnaam voor alle muziek die niet in Engels-, Frans- of Nederlandssprekende landen in het Westen wordt gemaakt. En dat wringt altijd een beetje. Een andere definitie van wereldmuziek is dan weer muziek waarbij instrumenten worden gebruikt die in de westerse muzikale canon niet gangbaar zijn. Maar enkel als die niet populair is in Engels-, Frans- of Nederlandssprekende landen in het Westen. Want wanneer een hiphopproducer als Timbaland in Indian Flute traditionele muziek uit India samplede, noemden we dat nummer geen wereldmuziek maar gewoon hiphop. Of wanneer George Harrison sitar speelde in nummers van The Beatles, dan bleef dat ook gewoon popmuziek. Wanneer ik op vakantie ben bij mij thuis, in Rwanda (een heerlijkheid voor mensen met migratieachtergrond, dat je op vakantie kan gaan naar huis), is de muziek die ik er hoor geen wereldmuziek. Het is pop, of blues, of rock, of hiphop of dance, of gospel. Toch zal het voor de modale Vlaming allemaal onder diezelfde noemer vallen. Wereldmuziek. Alsof niet alle muziek, muziek van de wereld is.

Maar goed, verliefd en minder kritisch dan nu liet ik me door de oer-Kempenaar onderdompelen in die wereld van niet-westerse muziek. Zo nam hij me op een avond mee naar een optreden van Boubacar Traoré. Ik wist toen nog niets over die blueslegende uit Mali. Ik wist alleen dat ik meeging naar een avond wereldmuziek, en stelde me daarbij allerlei clichés voor. Met een goedgevulde rugzak vooroordelen over het publiek (vast allemaal bleke gezichten omkroond met vuile dreadlocks, of lichamen die zwommen in niet-passende Afrikaanse gewaden) en niet al te veel interesse in de muziek, vertrok ik naar het concert. Om daar op een trip te gaan die me deed huilen, me muisstil maakte, me meenam naar Mali, New York, Weelde en terug naar Borgerhout. De rugzak vooroordelen gooide ik gezwind af en heb ik sindsdien niet meer omgesnoerd. Dát bedoelden ze met wereldmuziek, bedacht ik toen. Muziek die je wereld opent, door elkaar klutst, en dan weer heel klein maakt. Het was prachtig.
En dus ging ik aan het googlen. 

En zo ontdekte ik Rokia Traoré. Voor zover ik weet geen familie van, maar wel een landsgenote van Boubacar. En haar stem en arrangementen gingen misschien nog wel dieper naar mijn kern. Ik ben sinds 2010 fan.

‘Rokia Traoré is de vrouw die mijn kleine vlammetje voor de muziek van mijn geboortestreek aanblies tot een steekvlam.’

Toen ik ‘mijn’ seizoen in het Concertgebouw overschouwde en me voorbereidde op het nagesprek met Serge Aimé Coulibaly zag ik opeens in de credits ‘Rokia Traoré’ staan. De vrouw die mijn kleine vlammetje voor de muziek van mijn geboortestreek aanblies tot een steekvlam, verzorgde de muzikale onderlaag van een stuk dat me ongetwijfeld ook weer op een trip rond de wereld zal meenemen. Ik kan niet wachten op Kirina. Zonder rugzak, maar met reistas dit keer.

Meer Dalilla Hermans de komende maanden: 

 

Dalilla Hermans is auteur, columnist en redactrice, geboren in Rwanda en geadopteerd. Als Seizoensdenker laat zij haar licht schijnen over dit Concertgebouwseizoen waarin identiteit centraal staat.


 

 © Lucas Denuwelaere

 


Foto bovenaan: © Harvey Bouterse

Deel dit nieuwsbericht