Toelichting
Bella donna, crudel donna: elegantie en kwelling in de hoofse lyriek
- Hoofse lyriek idealiseert de onbereikbare dame. Troubadours aanbidden hun geliefde maar lijden onder de sociale afstand.
- Ensemble Apotropaïk toont hoofse liefde als drieluik: Tempérance (zelfbeheersing), Charme (bekoring) en Tourment (kwelling).
Een middeleeuwse beauty hack
Mooie en grote ogen: elke vrouw droomt ervan. Elk menselijk wezen allicht. Hoe groter de spiegels van onze ziel lijken, hoe aantrekkelijker we worden gevonden. De oude Egyptenaren, volkeren in Oost- en West-Afrika gebruiken al enkele millennia kohl – de Afrikaanse mascara, zeg maar – om de ogen met make-up te benadrukken. Italiaanse dames in de middeleeuwen en renaissance hadden hun eigen middeltje: ze gebruikten druppels van de wolfskers (atropa belladonna). De werkzame stof atropine verwijdt de pupillen en maakt donkerder en glanzender.
Dit gebruik gaf de plant haar naam: ‘belladonna’ betekent ‘mooie vrouw’ in het Italiaans (bella donna). Niet zonder ironie, want niet alleen maakt het sap van de plant de ogen – en dus ook de vrouw – mooier, de bessen van de plant zijn zoet maar vooral vreselijk giftig. Drie bessen zijn voldoende om een kind te doden. In kleinere dosissen heeft het goedje bovendien hallucinogene eigenschappen – om die reden werd het ook in middeleeuwse levenselixers en heksenzalfjes gebruikt – en kan het ook de ogen aantasten. Naar deze bedrieglijke en nefaste bijwerkingen verwijst overigens de titel van Hugo Claus’ bekende roman Belladonna (1994).
Hoofse liefde
Liefde als gevaar of als vergiftigd geschenk: in al zijn betekenissen is ‘belladonna’ een sprekend beeld voor de verleiding en de risico’s van de liefde. Zo ook in de hoofse poëzie uit de middeleeuwen en renaissance. De hoofdfiguur en het object van begeerte is gewoonlijk een mooie, sterk geïdealiseerde vrouw, perfect als een sublieme bloem. Het gelijknamige programma van Ensemble Apotropaïk verkent de vrouwelijke mythes uit de late middeleeuwen, van waardige en spirituele dames tot ongenadige femmes fatales.
'Ensemble Apotropaïk verkent de vrouwelijke mythes uit de late middeleeuwen, van waardige en spirituele dames tot ongenadige femmes fatales.'
Andreas Capellanus was een van de eerste auteurs om deze hoofse liefde nader te omschrijven. In zijn traktaat De amore (ca. 1190) deed hij de gebruiken van de middeleeuwse liefde uit de doeken. 'Regel 30: De ware minnaar wordt voortdurend en onophoudelijk in beslag genomen door het beeld van de geliefde' ('verus amans assidua, sine intermissione, coamantis imaginatione detinetur'). De hoofse liefde, die we kort voordien al aantreffen in de lyriek van troubadours actief in de Provence en de Languedoc zoals Bernart de Ventadorn, vinden we inderdaad vaak geformuleerd in deze termen: een voortdurende idealisering, op het obsessieve af. Tegelijkertijd lijdt de dichter onder deze afstand: het hoogverhevene object van zijn aanbidding bevindt zich op oneindige afstand – veelal in sociale klasse dan in fysieke afstand uitgedrukt – en heeft niet de minste belangstelling voor de smachtende poëet.
De hoofse thematieken van de troubadours zouden zich vanaf de 12e eeuw en nog sterker in de 13e eeuw vanuit zuidelijk Frankrijk ook noord- en zuidwaarts bewegen. We vinden ze terug in de lyriek van de trouvères, de in het Frans (langue d’oïl) dichtende singer-songwriters die hoofdzakelijk eenstemmige chansons componeerden. Grootheden uit de polyfonie van latere eeuwen, zoals Guillaume de Machaut en Guillaume Du Fay, zijn hun erfgenamen, zowel muzikaal als poëtisch. De invloed van de hoofse kunst liet zich ook voelen in de hoofdzakelijk religieuze gedichten en liederen die door de 13e-eeuwse koning van Castilië en León, Alfonso X ‘el Sabio’ (de wijze), werden verzameld. Onder de benaming Cantigas de Santa Maria vinden we één van de absolute hoogtepunten van middeleeuwse lyriek, gesteld in het Galicisch – de hoftaal onder Alfonso. De vereerde dame heet hier Maria en is nog volmaakter.
Een middeleeuwse liefdestriptiek
Het programma dat het Ensemble Apotropaïk samenstelde, ontvouwt zich als een middeleeuws drieluik, waarbij elk paneel een aspect van de hoofse liefde vertolkt. Het eerste luik is Tempérance, gematigdheid. De hoofse eigenschap par excellence, de beheersing die de ware adel van de ziel weerspiegelt: controle en rust. De dame is een vrouw die berust in haar situatie, haar lot, maar haar waardigheid nooit verliest. We starten bij één van de weinige trobairitz – de vrouwelijke tegenhangers van de troubadours – afkomstig uit Die (departement Drôme), en beëindigen dit luik het aan het andere eind van het chronologische spectrum met Du Fays ballade La ballade se siet.
Het middenluik is getiteld Charme, de bevalligheid eigen aan elke dame, en zeker in een hoofse context. Dit middendeel presenteert antieke of spirituele figuren met sterke en fascinerende persoonlijkheden als Medea en Maria zoals we haar aantreffen in de Cantigas de Santa Maria of in een hymne voor de maagd in de vroegvijftiende-eeuwse codex Faenza.
'Meestal ondergaat de dichter de kwelling, terwijl de dame niets (of niet veel) onderneemt. Maar soms leiden deze vrouwelijke mythen tot een veel donkerder situatie.'
De kwelling, Tourment, is wat de dichter voelt bij het constateren van de afstand die hem van zijn beminde scheidt. Meestal ondergaat hij de kwelling, terwijl de dame niets (of niet veel) onderneemt. Maar soms leiden deze vrouwelijke mythen tot een veel donkerder situatie, waarin de beginsituatie wordt omgekeerd. Vrouwe Fortuna draait aan haar beroemde rad – zoals in de ballade uit de Codex Chantilly – en het is de afgewezen minnaar die het slachtoffer wordt. De Crudel Donna uit de beroemde Codex Rossi (ca. 1370) vormt zowat de tegenpool van de bevallige Bella Donna – of is ze niet meer dan de andere kant van de hoofse medaille?
Pieter Mannaerts