De Kazachse violiste Aisha Orazbayeva (1985) laveert moeiteloos tussen oud en nieuw repertoire, daarvan getuigen haar vier solo-albums met eigen werk, maar ook met muziek van Telemann tot Sciarrino. In die opnames hoort The New Yorker een bijzondere ‘eenheid van hoofd, hart en handen’. Het is duidelijk dat Aisha steeds weer op zoek gaat naar nieuwe horizonten, zonder daarom het vertrouwde uit het oog te verliezen. In 1000 Songs of the Kazakh People ontvouwt ze een uniek klankuniversum van Kazachse muziek vanaf het begin van de 19e eeuw tot vandaag. Archiefopnamen van volksliederen en hun Sovjet-interpretaties, Kazachse Sovjet-pop, en Orazbayeva’s eigen herwerkingen van dit repertoire staan naast haar eigen composities.
‘Dankzij het Makerschap kan ik projecten realiseren waarvan ik in mijn drukke uitvoerende leven alleen maar kon dromen.’
Aisha Orazbayeva