za 07 feb 2026 / 20.00 / Kamermuziekzaal
Voor het concert gaat artistiek coördinator (nieuwe) klassieke muziek Jan De Moor in gesprek met (een van) de artiesten.
Inhoud
met de steun van onze klavierpartner Piano's Maene
met de steun van onze klavierpartner Piano's Maene
Martin Helmchen (DE) voltooide zijn pianostudie aan de Hochschule für Musik ‘Hanns Eisler’ in Berlijn. Nadat hij in Hannover nog een tijd les volgde, maakte hij zijn debuut bij de Wiener Philharmoniker op het Lucerne Festival met het pianoconcert van Schumann. Sindsdien beleeft hij een spraakmakende carrière bij beroemde gezelschappen zoals de Berliner Philharmoniker en het London Philharmonic Orchestra. Helmchen reist de wereld rond met zijn solorecitals en kamermuziekoptredens, waaronder samen met zijn echtgenote celliste Maria-Elisabeth Hecker. Hij staat vooral bekend om de originaliteit en intensiteit van zijn interpretaties, maar ook om zijn indrukwekkende gevoeligheid van toon en technische verfijning, kwaliteiten die hem in 2020 een prestigieuze Gramophone Award opleverden.
Celliste Marie-Elisabeth Hecker (DE) viel op door haar overwinning op het Rostropovitchconcours in Parijs in 2005, waar ze als eerste deelnemer ooit meerdere prijzen tegelijk won. Ze studeerde bij o.a. Peter Bruns en Heinrich Schiff, en treedt sindsdien op met orkesten als de Staatskapelle Berlin, het BBC Symphony Orchestra en het Mariinsky Orchestra. Als soliste is ze te horen in zalen als het Concertgebouw Amsterdam en Carnegie Hall. Ze vormt een vast duo met haar echtgenoot, pianist Martin Helmchen, met wie ze samen het kamermuziekfestival Fliessen oprichte en artistiek bestuurt. Haar discografie omvat werk van Brahms, Schubert en Elgar en werd lovend ontvangen. Sinds 2017 is ze professor aan de Hochschule für Musik Dresden. In samenwerking met Music Road Rwanda reist ze regelmatig naar Rwanda om een lokale muziekschool te ondersteunen met concerten en educatieve projecten.
Martin Helmchen: piano
Marie-Elisabeth Hecker: cello
--
Ludwig van Beethoven (1770-1827)
7 Variaties in Es, WoO 46 ‘Bei Männern, welche Liebe fühlen’ uit Mozarts Die Zauberflöte (1801)
-Thema
-Variatie 1
-Variatie 2
-Variatie 3
-Variatie 4
-Variatie 5
-Variatie 6
-Variatie 7
-Coda
Robert Schumann (1810-1856)
Fantasiestücke, opus 73 (1849)
-Zart und mit Ausdruck
-Lebhaft, leicht
-Rasch und mit Feuer
Gabriel Fauré (1845-1924)
Elegie, opus 24 (1883)
Sicilienne, opus 78 (1893)
Papillon, opus 77 (1898)
Felix Mendelssohn (1809-1847)
Cellosonate nr.2 in D, opus 58 (1843)
- Allegro assai vivace
- Allegretto scherzando
- Adagio
- Molto Allegro e vivace

De combinatie van cello en klavierinstrument deed voor het eerst haar intrede in de late barok, met sonates van Italiaanse componisten als Benedetto Marcello, Antonio Vivaldi en Francesco Geminiani. Opmerkelijk genoeg verdwijnt de cellosonate in de klassieke periode grotendeels uit beeld. Hoewel Mozart talrijke sonates voor viool en klavier schreef, leek een solistische rol voor de cello toen niet meer aan de orde. Pas in 1796 brengt Ludwig van Beethoven daar verandering in met zijn twee Sonates voor cello en klavier (opus 5), gecomponeerd voor de cello-minnende Pruisische koning Friedrich Wilhelm II.
Waar de cello voordien vaak niet meer deed dan de baslijn van de piano verdubbelen, introduceert Beethoven een nieuw ideaal: een levendige dialoog tussen twee volwaardige, gelijkwaardige partijen. De Weense meester was diep overtuigd van de zangerige expressiekracht van de cello. Naast zijn vijf cellosonates schreef hij dan ook twee variatiereeksen op opera-aria’s van Mozart, waarin dit instrument een hoofdrol krijgt.
'Beethoven was diep overtuigd van de zangerige expressiekracht van de cello.'
De 7 Variaties in Es, WoO 46 ‘Bei Männern, welche Liebe fühlen’ uit Mozarts Die Zauberflöte, gecomponeerd in 1801, situeren zich tussen de twee vroege Cellosonates (opus 5) en de rijpe Derde sonate (opus 69). De directe aanleiding was een opvoering van Mozarts opera die Beethoven begin 1801 bijwoonde in het Theater an der Wien. Het geliefde duet tussen Pamina en Papageno moet hem sterk hebben geraakt, want hij vond hierin het ideale uitgangspunt voor een werk waarin cello en piano elkaar als gelijken ontmoeten.
Dat gelijkwaardige samenspel is hoorbaar in het voortdurend doorgeven van motieven tussen beide instrumenten. In elke variatie weet Beethoven bovendien nieuwe expressieve facetten uit Mozarts ogenschijnlijk eenvoudige melodie te halen. Alle schakeringen van de liefde passeren de revue: van speelse lichtheid tot dramatische spanning. Een uitgesproken contrast vormt de mysterieuze vierde variatie in mineur, waarin de cello een donker, laag register verkent. In de coda van de laatste variatie verrast Beethoven door het openingsthema opnieuw te laten opbloeien, om de reeks vervolgens af te sluiten met twee krachtige akkoorden. Deze variaties tonen hoe de combinatie piano–cello kan uitgroeien tot een intens expressief tweegesprek, een ideaal dat in de romantiek verder wordt ontwikkeld, onder meer door Felix Mendelssohn en Robert Schumann.
'Alle schakeringen van de liefde passeren de revue: van speelse lichtheid tot dramatische spanning.'
Felix Mendelssohn componeerde zijn Cellosonate nr.2 in D, opus 58 in de eerste helft van 1843, een bijzonder bewogen periode in zijn leven. Nadat zijn plannen om de muziekafdeling van de Berlijnse Akademie der Künste te leiden waren mislukt, keerde hij teleurgesteld terug naar Leipzig. Daar stortte hij zich op een nieuw, ambitieus project: de oprichting van een muziekconservatorium, dat al in april 1843 zijn deuren opende. Mendelssohn doceerde er piano en compositie, net als Robert Schumann. Opmerkelijk genoeg ontstonden in dit intensieve jaar enkele van zijn meest indrukwekkende werken, waaronder de Variations sérieuses voor piano en deze tweede cellosonate.
Waar Mendelssohns Cellosonate nr.1 nog de intimiteit van het salon ademt, is de tweede onmiskenbaar geschreven voor de concertzaal. Het werk is uitgesproken romantisch van karakter: virtuoos, gepassioneerd en groots opgezet in vier delen. De piano is hier geen bescheiden begeleider, maar ontplooit een orkestrale kracht die met stormachtige arpeggio’s en rijke harmonieën de weg vrijmaakt voor de lyrische zang van de cello. Dat wordt meteen duidelijk in de onweerstaanbare opening van het ‘Allegro assai vivace’, waarin beide instrumenten zichtbaar genieten van hun virtuoze mogelijkheden.
Het tweede deel is een lichtvoetig scherzo, een genre waarvan Mendelssohn het geheime recept lijkt te bezitten. Speelse figuren in de piano worden omkranst door sprookjesachtige pizzicatoklanken van de cello, als elfachtige schaduwen. Het meest ongewone deel is echter het diepzinnige ‘Adagio’. Plechtige, koraalachtige akkoorden in de piano leiden een innerlijke monoloog van de cello in, die met zijn bezielde, bijna religieuze expressie doet denken aan Hebreeuwse gebedsformules. Sommige musicologen zien hierin een subtiele verwijzing naar Mendelssohns dubbele wortels: opgegroeid in een luthers gezin, maar altijd ook trots op zijn joodse afkomst. Het ‘Adagio’ eindigt in verstilling, wanneer de piano het recitatief overneemt en de cello het deel afsluit met zachte pizzicatotonen. Die rust wordt abrupt doorbroken door de dramatische finale, een adembenemend slot dat Mendelssohns liefde voor virtuositeit, zijn scherp dramatisch instinct en zijn uitzonderlijk melodisch talent verenigt.
Robert Schumanns Fantasiestücke belichten een ander, intiemer facet van de romantiek. Geen monumentale sonatevorm hier, maar een cyclus van drie karakterstukken die samen een compacte, poëtische suite vormen. Cello en piano verkennen er wisselende gemoedstoestanden, van dromerig tot onrustig. De cello fungeert haast als een verlengstuk van de menselijke stem, het instrument waarvoor Schumann zo’n rijk liedoeuvre heeft nagelaten. De pianopartij geeft, net als in zijn liederen, klank aan de psychologische onderstroom van de melodie. Deze stukken tonen bij uitstek hoe de combinatie piano–cello zich leent voor introspectie en verbeelding, kernwaarden van de romantische esthetiek.
'Deze stukken tonen bij uitstek hoe de combinatie piano–cello zich leent voor introspectie en verbeelding, kernwaarden van de romantische esthetiek.'
Tot slot vertegenwoordigt Gabriel Fauré een latere fase, waarin de romantische expressie verfijnder en subtieler wordt. In de korte stukken Élégie (opus 24), Papillon (opus 77) en de geliefde Sicilienne (opus 78) laat hij de cello beurtelings klagen, fladderen en mijmeren. De piano omhult deze klanken met elegante harmonieën en een verfijnd kleurenpalet. In tegenstelling tot Mendelssohn en Schumann vermijdt Fauré grote dramatische contrasten. Zijn muziek zoekt haar kracht eerder in nuance, timbre en ingehouden emotie. De cello op zijn Frans, zeg maar.
Jan Christiaens