za 14 feb 2026 / 20.00 / Kamermuziekzaal
Voor het concert gaat artistiek coördinator oude muziek Veerle Declerck in gesprek met Andreas Staier.
Inhoud
met de steun van onze klavierpartner Piano's Maene
met de steun van onze klavierpartner Piano's Maene
Andreas Staier (DE) studeerde bij Gustav Leonhardt, Nikolaus Harnoncourt en Ton Koopman. Zijn geliefkoosd repertoire is 17e- tot 19e-eeuwse muziek voor klavecimbel en pianoforte, waar hij zich zowel solistisch als in voornaam muzikaal gezelschap op toelegt. Staier concerteert wereldwijd met orkesten als de Akademie für Alte Musik Berlin en het Orchestre des Champs-Elysées. Tot zijn vaste kamermuziekpartners behoren onder anderen Christoph Prégardien, Daniel Sepec en Jean-Guihen Queyras. Inmiddels maakte hij meer dan 50 opnames bij Deutsche Harmonia Mundi, Teldec en Harmonia Mundi. Voor die opnames ontving hij onder meer een Gramophone Award. Naast zijn werk als toetsenist is Andreas Staier actief als dirigent en orkestleider.
Andreas Staier: klavecimbel (gebouwd door Matthias Griewisch, kopie van Christian Zell uit 1728)
--
Johann Christoph Bach (1642–1703)
Prelude en fuga in Es (ca. 1680–1700)
Johann Bernhard Bach der Ältere (1676–1749)
Chaconne in B (ca. 1700 en 1720)
Wilhelm Friedemann Bach (1710–1784)
Polonaise nr.9 in F (ca. 1765)
Polonaise nr.10 in f (ca. 1765)
Carl Philipp Emanuel Bach (1714–1788)
Sonate in g, Wq 65/17 (1739)
I. Allegro
II. Adagio
III. Allegro
Johann Sebastian Bach (1685–1750)
Partita nr. 4 in D, BWV828 (ca. 1728–1730)
I. Ouverture
II. Allemande
III. Courante
IV. Aria
V. Sarabande
VI. Menuet
VII. Gigue

‘Nicht Bach, Meer sollte er heissen!’: Beethoven had het over de diepgang en omvang van Bachs oeuvre toen hij hem eerder met de zee vergeleek dan met een beekje (nvdr: Bach is het Duits voor ‘beek’, Meer is het Duits voor ‘zee’). Maar ook Bachs familie lijkt oeverloos. Vandaag verkent klavecinist Andreas Staier maar liefst drie generaties Bach, van oom Johann Christoph Bach, over neef Johann Bernhard, tot Johann Sebastians twee oudste zonen, Wilhelm Friedemann en Carl Philipp Emanuel.
De oudste Bach op het programma was Johann Sebastians oom Johann Christoph (1642-1703), door Johann Sebastian ‘de diepzinnige’ genoemd en de belangrijkste componist van zijn generatie in de familie Bach. Hij was de oudste zoon van organist Heinrich Bach (1615-1692) en was als organist actief in Arnstadt en Eisenach – twee steden waar Johann Sebastian later in zijn voetsporen zou treden. Johann Christophs vrouw, Maria Elisabetha Wedemann was bovendien de tante van Bachs eerste vrouw, Maria Barbara. Slechts een klein aantal van Johann Christophs werken bleef bewaard, het merendeel hiervan in het ‘Altbachisches Archiv’, de collectie zeventiende-eeuwse muziek in het bezit van, en grotendeels gecomponeerd door, de familie Bach. Van Johann Christoph kennen we meerdere motetten, ‘geistliche Konzerte’, een cantate, orgelkoralen en enkele werken voor klavecimbel. Deze worden omschreven als ‘Klavier manualiter’, wat duidelijk op een klavecimbel duidt: een klavier zonder pedalen (dus geen orgel). De belangrijkste van deze composities is de Prelude en fuga in Es.
Johann Bernhard (1676–1749) was een generatiegenoot en oudere neef van Johann Sebastian; ze waren intiem bevriend en peter van elkaars zonen. Johann Bernhard werd geboren in Erfurt en was nadien actief in Magdeburg en Eisenach. In de St-Georgskirche van Eisenach zou hij zijn oom Johann Christoph opvolgen. In het hertogelijk orkest had hij er Georg Philipp Telemann als collega; de stijl van beide componisten is verwant. Onder de bewaarde werken van Johann Bernhard zijn vier orkestsuites waarvoor Johann Sebastian zijn neef een handje toestak bij het kopiëren van de individuele partijen. Zijn klaviermuziek omvat orgelkoralen, een fantasia en drie Chaconnes voor klavecimbel.
Net als zijn oom en neef vóór hem, en net als zijn zonen na hem, was Johann Sebastian (1685-1750) een hartstochtelijk improvisator aan het klavier: het clavichord, het klavecimbel en het orgel hadden geen geheimen voor hem. Een omvangrijk en belangrijk deel van zijn instrumentale productie was bestemd voor klavierinstrumenten. Sinds Wolfgang Schmieders Bach Werke Verzeichnis (1950) is het ongebruikelijk om naar Bachs muziek te verwijzen met opusnummers. Opvallend is dat Bach zijn ‘opus 1’ pas in 1731 publiceerde: de zes klaviersuites die we kennen als zijn Clavier-Übung I. Enkel deze editie is bewaard gebleven, Bachs autograaf is verloren gegaan. De Partita nr. 4 bestaat uit zeven delen: de vier dansen uit de traditionele baroksuite (allemande, courante, sarabande, gigue), ingeleid door een ouverture en afgewisseld met een aria en een menuet. Het is een briljante compositie die duidelijk tot zijn meest veeleisende klavecimbelwerken behoort.
'Was ‘J.S. Bach en zonen’ een familiebedrijf geweest, dan was het vanzelfsprekend opgestart met Wilhelm Friedemann, Bachs oudste zoon en een productief en meer dan verdienstelijke componist.'
Was ‘J.S. Bach en zonen’ een familiebedrijf geweest, dan was het vanzelfsprekend opgestart met Wilhelm Friedemann (1710–1784), Bachs oudste zoon en een productief en meer dan verdienstelijke componist. Wilhelm Friedemann stond bekend als een geniaal componist en improvisator op orgel en klavecimbel en produceerde heel wat muziek voor deze beide klavierinstrumenten. Desondanks verliep zijn carrière eerder wisselvallig en stierf hij in armoede. Onder de vaakst uitgevoerde klavecimbelwerken van Wilhelm Friedemann is een reeks van twaalf Polonaises, gecomponeerd rond 1765 (Falck-catalogus nr. 12) en herwerkt rond 1775. De uitgever van de eerste editie (1819), C.F. Peters in Leipzig, ordende de individuele dansen per toonaard in majeur-mineur-paren: de eerste twee Polonaises staan in do groot en do klein, de volgende achtereenvolgens in re, mi bemol, mi, fa en sol groot en klein. Ze zijn opgedragen aan ‘Monsieur le Comte Grigori Grigorievich Orlof’. Prins Orlov was een favoriet van tsarina Catharina de Grote van Rusland en een enthousiast mecenas en kunstverzamelaar.
Carl Philipp Emanuel (1714–1788), de ‘Berlijnse Bach’, was zonder twijfel de meest geniale onder Bachs zonen en had – samen met kleine broer Johann Christian – zeker de sterkste impact op latere generaties componisten. Hij was het vijfde kind en de tweede overlevende zoon van Johann Sebastian en Maria Barbara Bach. Hij was de belangrijkste vertegenwoordiger van de ‘empfindsame Stil’, de gevoelige stijl. Zijn klavierwerk is in zekere zin een voorloper van de romantiek. Als belangrijk pedagoog schreef hij een invloedrijk tractaat, Versuch über die wahre Art das Clavier zu spielen, dat werd bestudeerd door Haydn, Mozart en Beethoven. In 1738 trad hij in dienst bij kroonprins Frederik van Pruisen, de toekomstige Frederik de Grote. Onder het ene catalogusnummer 65 verzamelde Alfred Wotquenne niet minder dan 50 klaviersonates, waarvan het nummer 17 uit 1739 dateert – het jaar tussen C.P.E. Bachs indiensttreding bij Frederik (1738) en diens troonsbestijging (1740).
Pieter Mannaerts