Door verder te surfen op deze website aanvaard je het gebruik van cookies die voor een aangename navigatie en een gepersonaliseerd aanbod aan content en diensten zorgen. OK / Lees meer

Concertgebouw Brugge

  • Nederlands NL
  • Français FR
  • English EN
Verlanglijst0

Social media

Terug

December Dance 17 (07 – 17 dec)

Christian Rizzo is als choreograaf een autodidact, net zoals hij eerder op eigen houtje modeontwerper en rockmuzikant werd. Zijn oeuvre is echter zo uniek dat hij in 2015 gevraagd werd als artistiek leider van het Centre Chorégraphique National van Montpellier. In Frankrijk een erkenning van belang. Dit jaar is hij ook curator van December Dance.

Onbekend is Rizzo niet in België. Hij was al present op het elfde en laatste Klapstukfestival in Leuven, met twee stukken nog wel. De solo Autant vouloir le bleu du ciel et m’en aller sur un âne was één onthutsende, lange ijlkoortslitanie waarvan alleen de laatste zin te begrijpen viel. ‘Le merveilleux est sans fin’, het wonderbaarlijke kent geen grenzen. Soit le puits était profond, soit ils tombaient très lentement, car ils eurent le temps de regarder tout autour was heel anders van toon: acteurs en dansers droegen er de kunst met een grote K plechtig, maar nogal luchthartig, ten grave. Die stukken onthulden al de essentie van Rizzo’s werk. Daarin gaat het over kunst, maar het is ook erg kunstig, artisanaal zelfs, door zijn geraffineerde vormentaal en beeldenrijkdom. Rizzo vertelt geen verhalen, maar creëert sterke sferen. Vaak hangt er een gevoel van vergankelijkheid rond het mooie dat hij uit zijn hoed tovert. Mon amour bijvoorbeeld evoceert het thema van Orfeus en Euridyce, zonder het verhaal uit te spellen. Maar het is niet al melancholie en kwetsbaarheid bij Rizzo: de visuele en choreografische rijkdom van zijn werk getuigen ook van een grote passie. 

Die passie kwam op de voorgrond in D’ après une histoire vraie uit 2013. Dit stuk voor acht mannelijke dansers — dat in maart 2016 al in Brugge te zien was —  eindigt als een uitbarsting van volkse vitaliteit, voortgestuwd door formidabele drumpartijen. Het werd het eerste deel van een trilogie rond dans als sociaal ritueel. Ad Noctum (2015) was daar het vervolg op. Hier inspireerde Rizzo zich op salondansen, maar de zwaarmoedige muziek van Chopin en Satie kleurt die dans sterk in. Het eindbeeld is onvergetelijk. Twee dansers, vermomd als Pierrot Lunaire, schieten in brand. Op December Dance volgt het derde luik. Le syndrome ian grijpt terug naar de dans van de late seventies, toen een onnavolgbare cocktail van new wave, punk en disco het licht zag. Ian Curtis van Joy Division is hier de centrale figuur. 

Hoe heeft u deze opdracht als curator opgevat?

Ik vroeg me vooral af wat mijn werk uitstraalt dat de belangstelling van het Concertgebouw wekte. Ik kwam uit op drie begrippen: ‘de compositie’, ‘het dispositief’ en ‘de figuur’.

Ik begrijp waarom u compositie vermeldt. Uw eigen choreografisch werk is altijd erg precies in elkaar  gezet. Maar wat bedoelt u met ‘het dispositief’ en ‘de figuur’?

Met het woord ‘dispositief’ verwijs ik naar een bijzondere verhouding van een danser tot de ruimte: hoe een dansend lichaam zich laat opnemen en bepalen door de ruimte om zich heen, maar daar tegelijk ook zelf mee vorm aan geeft door zijn ‘présence’. Met ‘figuur’ bedoel ik een wolk van ideeën die een soort eenheid vormen. Woorden als ‘tovenaar’ of ‘zwerver’ bijvoorbeeld zitten vol geschiedenis, beelden, gedachten. Een figuur is geen personage, maar een bepaalde denk- of belevingssfeer. Een danser kan die zo sterk absorberen dat ze doorschemert in zijn bewegingen, zonder dat hij echt personage wordt. Ik zie de ‘figuur’ dus als een term tussen pure abstractie en verhalende anekdotiek. Daarom nodigde ik Vania Vaneau uit met Blanc: onder je ogen zie je haar trekken van een sjamaan aannemen, alhoewel ze niet letterlijk iets vertelt. 

U presenteert een breed palet aan choreografen,  van William Forsythe tot Cindy Van Acker of  Alessandro Sciarroni, maar dus ook jong talent als  Vaneau. Kan u daar iets over zeggen? 

Forsythe had een beslissende invloed op mijn eigen werk. Zijn stukken zijn zo gebald dat het als het ware objecten op zichzelf worden. Sciarroni boeit me omdat hij vaak alles haalt uit één enkel idee, waardoor het compositorische element zeer sterk op de voorgrond komt. Van Acker waardeer ik dan weer omwille van haar vermogen om de dans een zeer precieze kwaliteit te geven. Het zijn heel verschillende choreografen. Ik heb ook een brede smaak, maar als er één ding is waar ik vooral op afga, dan wel de kwaliteit, in ambachtelijke zin, van het werk. Choreografen die zo diepgaand met hun materiaal bezig zijn dat er ook op het mentale niveau iets in beweging komt. Je zal het hopelijk merken.

— Pieter T’Jonck